Top 50 TCS-interviewvragen en -antwoorden

Tata Consultancy Services is een Indiaas multinationaal informatietechnologiebedrijf met hoofdkantoor in Mumbai, met hoofdvestigingen in Pune, Banglore, Hyderabad en andere steden. TCS is het grootste IT-bedrijf in India.

Wervingsproces in TCS:

TCS voert drie sollicitatierondes uit om nieuwere kandidaten te selecteren als softwareontwikkelaar in hun bedrijf.

  1. Geschiktheids test
  2. Technisch interview
  3. HR-interview

De wervingsdrift van TCS begint met een schriftelijke test gevolgd door een persoonlijk gesprek. Een recruiter kan ook campusgroepsdiscussies houden voor kandidaten voor software-ingenieurs.

Hieronder volgen veelgestelde TCS-interviewvragen voor zowel eerstejaars als ervaren kandidaten om de juiste baan voor hun carrière te vinden.

1) Welke programmeertalen zijn belangrijk voor TCS campusinterviews?

Belangrijke programmeertalen voor TCS-campusinterviews zijn 1) C-programmering, 2) C++-programmering en 3) Java-programmering.

2) Wat is het belangrijkste verschil tussen C en Java?

Het belangrijkste verschil tussen beide is dat Java een objectgeoriënteerde programmeertaal is, terwijl C een procedurele programmeertaal is.

3) Noem vier opslagklassen die beschikbaar zijn in C.

Vier opslagklassen die beschikbaar zijn in C-talen zijn 1) register, 2) auto, 3) extern en 4) statisch.

4) Leg statische variabele uit.

Het is een toegangsspecificatie. De waarde van een statische variabele verandert niet tijdens de uitvoering van het programma.

5) Hoe een adres afdrukken?

U kunt %p in de printf-functie gebruiken om een ​​adres van een variabele af te drukken.

6) Leg het concept van functieoverbelasting uit.

Het is een functie van C++ waarmee u meer dan één functie met een vergelijkbare naam kunt maken. Functies kunnen worden geïdentificeerd aan de hand van hun parameters.

7) Leg twee integriteitsregels uit die in DBMS worden gebruikt.

  • Referentiële integriteitsregels
  • Integriteitsregels voor entiteiten

De referentiële integriteitsregel stelt dat de database geen referentiële sleutelwaarden voor weesrecords bevat. In dit geval kan de waarde van de primaire sleutel niet worden gewijzigd als u deze waarde als externe sleutel in de onderliggende tabel hebt gebruikt.

In entiteitsintegriteitsregels kunt u de primaire sleutelwaarde niet null laten.

8) Definieer de klassen en objecten van de term.

Class is een bouwblog van objectgeoriënteerd programmeren dat een groep gegevensleden en zijn functie bevat. U kunt ze openen door een instant-klasse te maken.

Een object is een entiteit uit de echte wereld. Enkele voorbeelden van het object zijn computer, notebook, pen en tas.

9) Definieer macro's.

Een macro is een preprocessor-richtlijn die de waarde van een macro vervangt.

10) Onderscheid structuur en arrays.

Het belangrijkste verschil tussen structuur en array is als volgt:

  • Een array is een datastructuur. Het bevat een groep vergelijkbare gegevenstypen.
  • De structuur is door de gebruiker gedefinieerd gegevenstype. Het bevat een groep verschillende gegevenstypen.

11) Noem enkele gebieden waarop datastructuur uitgebreid wordt toegepast.

Hieronder volgen de gebieden waarin de gegevensstructuur wordt gebruikt:

  • Numerieke analyse
  • Databasemanagementsysteem
  • Kunstmatige intelligentie
  • Besturingssysteem
  • Statistisch analysepakket

12) Hoe kun je code die is geschreven in de programmeertaal C++ hergebruiken?

U kunt overervingstechniek gebruiken om code opnieuw te gebruiken.

13) Noem verschillende technieken voor het voorkomen van impasses.

Deadlock-preventietechnieken zijn:

  • Wederzijdse uitsluiting
  • Middelen vasthouden
  • Geen voorrang
  • circulair wachten

14) Wat is invoegsortering en bellensoort?

Invoegsortering is een sorteeralgoritme waarbij de uiteindelijke lijst of array wordt opgebouwd met één item tegelijk. Bij bellensortering verwissel je aangrenzende elementen als de volgorde niet juist is.

15) Leg het concept van een lijst met dubbele links uit.

Een linkgegevensstructuur die een lijst met dubbele links wordt genoemd, bevat een link terug naar het vorige knooppunt.

16) U maakt een functie die een variabel aantal argumenten kan accepteren. Welk headerbestand voeg je toe?

We moeten het stdarg.h-headerbestand opnemen.

17) Wat bedoel je met data-abstractie? Leg drie niveaus van data-abstracties uit.

Data-abstractie is een proces waarbij de kenmerken van een object of elke situatie worden herkend en ongewenste kenmerken worden weggefilterd.

Hieronder volgen drie niveaus van gegevensabstractie:

  • Fysiek niveau: Geeft weer hoe u gegevens in de database opslaat
  • Logisch niveau: Geeft weer welke gegevens zijn gesorteerd in de database
  • Bekijk niveau: Eindgebruikers werken op dit niveau en als er wijzigingen worden gevonden, worden deze onder een andere naam opgeslagen.

18) Leg uit wat het commandoregelargument in C is?

Het is een proces om argumenten te krijgen van de opdrachtprompt in C-programmering. Er zijn drie argumenten in de hoofdfunctie van C. Argumentteller, Argumentvector en omgevingsvector.

19) Leg het concept van cachegeheugen uit.

Een cache is een klein computergeheugen dat door de CPU wordt gebruikt om de gemiddelde kosten voor toegang tot gegevens uit het hoofdgeheugen te verlagen.

20) Leg het verschil uit tussen pass-by-referentie en pass-by-waarde.

In pass by value geven we de waarde door aan de aanroepende functie. In Pass by reference moeten we het adres doorgeven aan de aanroepfunctie in plaats van de waarde door te geven.

21) Wat is een aanwijzer?

Een variabele die het adres van een waarde in het geheugen opslaat, wordt pointer genoemd.

22) Maak onderscheid tussen null en void pointer.

Een null pointer is een pointer die nergens naar wijst. Het heeft de waarde nul. Void pointer is een generieke pointer die is geïntroduceerd door ANSI (American National Standards Institute).

23) Wat is overbelasting van de operator?

Overbelasting van operators is een polymorfisme waarmee bestaande operators opnieuw kunnen worden gedefinieerd, zodat ze kunnen worden gebruikt op objecten van door de gebruiker gedefinieerde klassen.

24) Wat zijn de verschillende soorten overerving die beschikbaar zijn in C++?

Er zijn vijf soorten overerving in C++-programmering. Dit zijn 1) enkele overerving, 2) meervoudige overerving, 3) overerving op meerdere niveaus, 4) hybride overerving en 5) hiërarchische overerving.

25) Waarom normaliseert een database?

Een database moet worden genormaliseerd, zodat u een database efficiënt kunt organiseren. U moet ook een database normaliseren om overtollige gegevens te verwijderen.

26) Wat is DBMS?

DBMS staat voor Database Management Systeem. Het is een software die wordt gebruikt om uw database te beheren. DBMS biedt een interface tussen applicatie en databases.

27) Leg voorwaardelijke uitspraken uit.

Voorwaardelijke instructies zijn ook bekend als een voorwaardelijke expressie of als-dan-instructie. Voorwaardelijke verklaringen zijn een reeks regels. Deze regels worden alleen uitgevoerd als de voorwaarde waar is.

28) Leg het verschil uit tussen de externe sleutel en de sleutel waarnaar wordt verwezen.

Een externe sleutel wordt gebruikt om naar tabellen te linken. Aan de andere kant is de referentiesleutel een primaire sleutel waarnaar in de andere tabel wordt verwezen.

29) Leg het verschil uit tussen C en C++?

C ++ C
C++ heeft een klassenconcept C had geen klassenconcept
C++ ondersteunt het concept van functie-overbelasting niet Bij C-programmering gebruiken we verschillende functies zoals scanf() en printf() voor invoer en uitvoer.
C++ ondersteunt het afhandelen van uitzonderingen. C biedt geen ondersteuning voor het afhandelen van uitzonderingen

30) Wat is een array?

Een array is een gegevensstructuur die vergelijkbare elementen bevat. De noodzakelijke voorwaarde om een ​​array te gebruiken is dat alle array-elementen hetzelfde datatype moeten hebben.

31) Leg geheugentoewijzing in C uit.

Er zijn drie functies om geheugen in C toe te wijzen. Deze zijn als volgt:

  • callo(): Deze functie wijst geheugen toe en initialiseert dit geheugenblok op nul. Het geeft een aanwijzer terug naar het geheugenblok.
  • mallok(): Deze functie reserveert een geheugengebied en retourneert een aanwijzer van het type leegte.
  • vrij(): Deze functie geeft toegewezen geheugen vrij.

32) Wat is een geclusterde index?

Geclusterde index rangschikt records opnieuw op een manier die ze fysiek in een tabel hebben opgeslagen.

33) Wat bedoel je met debugger?

Een debugger is een computerprogramma. Het wordt gebruikt om andere programma's te debuggen en te testen.

34) Wat is het belangrijkste verschil tussen const char *p en char const *p?

Beide zijn verwijzingen naar een constante Char. Als je echter char * const p schrijft, dan zal dit 'p' declareren als een constante pointer naar char.

35) Leg geheugenuitlijning uit.

In de gegevensstructuur is geheugenuitlijning een methode om de gegevens en toegang in het geheugenblok te ordenen.

36) Leg de conversieconstructor uit.

Het is een enkele parameterconstructor, die wordt gedeclareerd zonder 'expliciete' functiespecificatie. Conversieconstructor kan worden aangeroepen met een enkele parameter (tot C++11) een converterende constructor wordt genoemd.

37) Leg het begrip Boom uit.

Boom is een abstract gegevenstype. Het vertegenwoordigt de knooppunten die zijn verbonden door randen.

38) Wat is datawarehousing? Waarom zouden we datawarehousing gebruiken?

Een datawarehouse is een business intelligence-tool die zowel gegevens uit operationele databases als uit externe bronnen opslaat. Het ondersteunt het besluitvormingsproces in een organisatie.

We moeten een datawarehouse gebruiken om de consistentie van de verzamelde gegevens te waarborgen. Het helpt bedrijfsleiders ook om datagestuurde strategieën te ontwikkelen.

39) Hoeveel soorten recursie zijn er in C?

Er zijn hoofdzakelijk zes soorten recursie: 1) lineaire recursie, 2) staartrecursie, 3) binaire recursie, 4) exponentiële recursie 5) geneste recursie en 6) wederzijdse recursie.

40) Leg compiler en interpreter uit.

  • Een compiler is een programma dat in C geschreven code verwerkt en omzet in machinetaal.
  • Een tolk is een programma dat direct C-code uitvoert zonder te compileren in machinetaal.

41) Leg de reikwijdte van een variabele uit.

Scope betekent zichtbaarheid van elke variabele. Zichtbaarheid van variabele is beperkt tot programma of functie.

42) Wat is een door de gebruiker gedefinieerde uitzondering in Java-programmering?

De trefwoorden try, catch en ten slotte worden gebruikt om een ​​door de gebruiker gedefinieerde aangepaste uitzondering Java te implementeren. In Java kunt u een uitzonderingsklasse maken en een uitzondering genereren met het trefwoord throw.

43) Leg de vuilnisman uit.

In Java is een garbage collector een programma dat het geheugen automatisch beheert en ongebruikte objecten verwijdert.

44) Wat is opsomming?

Het is een door de gebruiker gedefinieerd gegevenstype dat wordt gebruikt om namen toe te wijzen aan constanten. Het maakt het programma gemakkelijk leesbaar.

45) Wat bedoel je met statische identifier?

De statische id wordt slechts één keer geïnitialiseerd en de waarde blijft behouden gedurende de levensduur van de toepassing. De geheugenwaarde die door de statische variabele is toegewezen, kan tussen de functieaanroep worden gebruikt. De standaardwaarde van een niet-geïnitialiseerde statische id is nul.

46) Leg encryptie uit.

Het is een proces waarbij tekst wordt omgezet in code. Het primaire doel van encryptie is om onbevoegde toegang te voorkomen.

47) Wat is decodering?

Het is de transformatie van versleutelde gegevens en deze omzetten in betekenisvolle tekst die u kunt lezen en begrijpen.

48) Wat is een digitale handtekening?

Het is een techniek die wordt gebruikt om de authenticiteit van het bericht te valideren. Een digitale handtekening is eigenlijk een versleutelde versie van de message digest.

49) Noem de basisprincipes van OOPS.

De vier basisprincipes van het objectgeoriënteerde programmeersysteem zijn 1) abstractie, 2) overerving, 3) inkapseling en 4) polymorfisme.

50) Definieer polymorfisme.

Polymorfisme is een concept dat wordt gebruikt in objectgeoriënteerd programmeren. Met polymorfisme kunt u een enkele actie op verschillende manieren uitvoeren.

51) Wat is SDLC?

De levenscyclus van softwareontwikkeling of de levenscyclus van applicatieontwikkeling is een term die in software-engineering wordt gebruikt om het proces van het ontwikkelen van software te beschrijven. Dit proces bestaat uit 4 fasen: 1) plannen, 2) creëren, 3) testen en 5) implementeren.